In de larvenstaat

Inleiding op ‘De Grote Vlaamse Striproman’

Patrick Bassant & Sébastien Conard

 

Avec un ciel si gris qu'il faut lui pardonner.

Jacques Brel, Le Plat Pays, 1962

 

Een kwarteeuw geleden nog - in DW B 1996 nr. 4, de eerste verkenning van dit tijdschrift over strips - konden Charles Dierick en Pascal Lefèvre, twee belangrijke stripkenners van het Belgisch Centrum voor het Beeldverhaal (nu boudweg Stripmuseum), wensdenken dat België nog voortleefde ‘in zijn strips, of als een stripverhaal’. Hoewel ze opmerkten dat Franstalige intellectuelen doorgaans naar Parijs tuurden en Vlamingen verondersteld werden zich op Amsterdam te richten, meenden Dierick en Lefèvre dat enige belgitude standhield in ‘la BD’ bij uitstek: ‘Is België dan louter een staatkundige entiteit zonder eigen cultuur? Wij geloven van niet.’ Voor beide stripspecialisten gold België nog als een multicultureel raakvlak tussen Germaans en Romaans, waarvan de strip als massamedium ‘het levende bewijs’ vormde. Anno 2021 zijn bepaalde regionale trekken op politiek en maatschappelijk vlak behoorlijk gepolariseerd. Corona biedt in dit opzicht enig ‘respijt’, maar hoe zit het bij de strips? Weerspiegelt het schisma zich in de pratende prentjes? Of is veeleer het tegendeel waar? En wat met de nationalistische pretenties? Klopt ook het ‘Vlaamse’ beeldverhaal zich danig op de borst?         

Plofkippen       
Identiteit, zou je kunnen stellen, is het ordewoord én de paradox van vandaag, en in die zin misschien al van gisteren, dus passé. Dat het begrip in een regio als Vlaanderen, een deelstaat met ambities tot geheelstaat, centraal staat mag niet verrassen. Machtigen die ‘identiteit’ verplicht opleggen proberen vooralsnog dictatoriale trekken te verhullen: ze vragen ons, onderworpenen, ingezetenen, burgers, ‘Vlamingen’, die identiteit vorm te geven, in te vullen. De krijtlijnen zijn niettemin getrokken, identiteit wordt een zaak van voorbepaalde meerkeuzevragen. Uw medewerking is gewenst, vereist zelfs. Wie niet meedraait moet het zelf maar weten, luidt het. Vlaanderen is op zoek naar zijn identiteit. Niet dat die zoek is maar als ‘we’ iedereen meewillen, dan moeten de potloden uitgedeeld. Het spreekt voor zich dat een hormonenspuitje hier en een steroïdeprik daar van pas komen. Welke vlekken de koe krijgt, mag de burger nog kiezen, maar dat het een vet, opgefokt rund wordt dat men stevig kan melken, staat buiten kijf.
           Ook het stripverhaal valt niet samen met zichzelf en wordt toch het liefst geacht navertelbaar, herkenbaar en dus verkoopbaar te verschijnen. Afwijkende manoeuvres zijn welkom maar worden verder genegeerd (of geassimileerd). Conform de inmiddels ferm gevestigde clichés omtrent de graphic novel, wil men liefst een welomlijnde, vette pil met niet al te weerbarstige poppetjes en kleurtjes, zonder al te moeilijke woorden. Een waterkip is ook goed, men schaamt zich niet langer voor opbod naar volume. Gewicht, niet ernst, is tegenwoordig een must. Gelukkig kan het ook anders, zoals uit dit dossier blijkt.
           Laten we de heersende eis eens letterlijk nemen: groeien en exporteren of creperen. Als we straks de Vlaamse striproman ‘excellent’ en exporteerbaar moeten maken, wat zijn dan de ingrediënten? Of welke net niet? Kan die Grote Vlaamse Striproman wel gelegd worden als een gouden ei? Of ligt dat al ergens? Of is hij louter de zoveelste fata morgana, een opgeklopt zinnebeeld op zoek naar een kern, een centrum dat met zichzelf gelijk zou zijn teneinde de ‘marges’, al wat anders is, beter te kunnen verwerpen? De vraag stellen is jezelf verplichten haar te beantwoorden. Hierin staan we niet alleen: een schare fijnzinnige stripmakers en -kenners hebben zich op de leeuw geworpen.

Scharrelvlees
Om die leeuw maar gelijk bij de horens te vatten: wat is er eigenlijk zo ‘Vlaams’ aan de hedendaagse Vlaamse striproman? Hoe gaat die om met de Vlaamse culturele traditie, hoe speelt die met clichés van de Vlaamse volksaard, welke rol speelt het Vlaamse geheugen in de moderne stripromans? Charlotte Pylyser legt het op een zilveren schaaltje. Ook komen er barsten in het hoger geschetste ideaalplaatje. De plofkippen vinden allengs minder aftrek. Ondanks - of mede door? - de subsidies van het Vlaams Fonds voor de Letteren (nu: Literatuur Vlaanderen), lijkt de rek uit het klassieke productiemodel. Er lijkt een grens te zitten aan meer, dikker, kleuriger, duurder - of is ook dat een indruk? Feit is dat literaire uitgeverijen zich enkele jaren geleden op de markt voor graphic novels stortten, maar inmiddels dat deel van hun fonds weer afstoten of afbouwen. We dienen er ook stil bij te staan dat er maar heel moeilijk financieel rond te komen is met het maken van strips. Peter Moerenhout wijst ons met een scherp pennetje op dat veronachtzaamde aspect van het grafisch-literaire veld.
           Er komt bijgevolg meer aandacht voor bio en scharrelvlees: onder meer aan de opleiding ‘Graphic Storytelling’ (LUCA, voormalig Sint-Lukas) in Brussel mikken masterstudenten weer op het publiceren in fanzines. Uitgeven bij een reguliere uitgeverij is niet langer de norm want niet meer even vlot haalbaar. In Brussel is La Petite Fanzinothèque Belge opgericht, waar alles op dit gebied wordt bewaard: DIY-winkel, archief en museum tegelijk. La Crypte Tonique mengt dan weer sinds jaren oud en nieuw: van hiërogliefen tot Hergé, van Guust Flater tot Ilan Manouach. Het stripfestival Grafixx in Antwerpen vertaalt al enkele jaren de internationale comeback van de risoprint, een belangrijk wapen in de nieuwe zinecultuur. Benoît Crucifix brengt dit fenomeen in verband met de publicatie- en verspreidingstactieken van Olivier Schrauwen, de nieuwe Vlaamse meester.

           Voordat u kunt gaan denken dat we alleen maar een zwarte toekomst voor de negende kunst zien: welnee, de strip kan veel aan. Sterker nog, ze is niet op sterven na dood, ze is nog in haar larvenstaat. De 21ee eeuw ligt geheel open voor het beeldverhaal. Samensteller Sébastien Conard, als maker en zoeker vertegenwoordigd, doet in zijn tekst uit de doeken hoe hij de vluchtlijnen van deze kunstvorm voor zich ziet, een speelruimte waarin de larve kan ontpoppen.

Bestiaria
Afstappen van de sequentie, de strikt verhalende lijn loslaten. Dat klinkt rigoureus, maar het staat al op het programma van de strip-avantgardes sinds auteurs als Martin Vaughn-James en Alex Barbier, beiden actief in het kielzog van de grote literaire en artistieke modernismen. Eindelijk lijkt het goede nieuws onze contreien te bereiken. Meer licht, meer toeval! In 2017 ging stripmaker, cartoonist en ‘grafisch huurling’ Serge Baeken Full Circle: hij poogde elke dag een tekening te maken van een locatie op een halfuur fietsen van huis. We schikten voor de gelegenheid de originele zwartwitschetsen in een nieuwe serie, die een poëtische blik werpt op Belgische buitenwijken. Dominique Goblet, de grande dame van het (alternatieve) Europese beeldverhaal, werpt zich tegenwoordig op de Noordzee, met de fanatieke liefde van iemand die het woeste water keer op keer leert kennen als op de eerste dag. We mochten uit haar nieuwe reeks een prachtige wikkel kiezen voor dit nummer. Veilig geborgen achter deze kleurrijke mantel prijkt het delicate coverembleem van Eva Cardon aka Ephameron, Vlaamse illustratrice en graphic novelist, notoire verkenster van het broze, het gevoelige en het non-lineaire.
           Olivier Deprez, voormalig Frémok-lid, stripromancier en houtsnedekunstenaar, breidt zijn woord-beeldend universum tegenwoordig uit in samenwerking met grafisch kunstenaar Roby Comblain. U krijgt een voorproefje uit het komende HOLZ-boek, een postcomics-project op de marges van strip en kunst, van vertelling en participatie. De Brusselse tekenaar Christophe Poot is evenmin een nieuwkomer: zijn aftastende strips evoceren steeds weer muziek, notities, notatie, schriftuur, literatuur. Als één van de vele auteurs van het exploratieve La Cinquième Couche, vaart hij al jaren een fijnbesnaarde koers. Hij fluit hier een deuntje voor het nieuwe getijdenboek. Ook tekenaar, schilder en cineast Guido van Driel hielp - boven de Schelde dan - het stripverhaal nieuw leven inblazen met Om mekaar in Dokkum (2005), een rauw-realistisch en tegelijk tragikomisch suburbverhaal in een verrassende, naïeve stijl. Met IHS-In Hollandia Suburbia (2019) waagt Van Driel zich verder op het pad van zwarte komedie en geflipte maatschappijsatire: hier een staaltje uit het nog te verschijnen tweede deel.
           Noemden we Nederland? Dat landje waar weliswaar grote tekenaars als Toonder, Wasco, Tjong-Khing, Pontiac, Schalken en Kolk groeien, maar waar de stripcultuur en -consumptie fors op België achterliep? Er zitten een paar uitgeverijen die de afgelopen tien jaar medeverantwoordelijk zijn geweest voor de opkomst van de graphic novel, maar langzaam beginnen die hun stripfondsen ook weer af te stoten. Wat heeft dat opgeleverd voor de Nederlandstalige strip? Kan een Nederlandse maker zijn afkomst nog steeds beter verzwijgen, of is de strip ook daar dieper doorgedrongen tot (een onderdeel van) de cultuur en de identiteit? Erin La Cour en Rik Spanjers stellen vast: het valt misschien niet mee, maar er zijn verrassende mogelijkheden.
           Over mogelijkheden gesproken: Kurt Snoekx tekende voor ons een reis door zijn particuliere striplandschap, een grillige kaart, een persoonlijke psychogeografie eerder, grofweg rondom Brussel gelegen, maar zich ver uitstrekkend, tot aan Aleppo toe, en van witruimte naar de outsiderstad en terug naar huis. Hij ontmoet zijn favoriete makers en wij reizen met hem mee.

Duizendpoten
Naast deze volgroeide vernieuwers van, letterlijk, om en rond het Vlaamse landje, nodigden we jong en vooral vrouwelijk talent uit. Artistieke duizendpoot Gerard Herman opent het bal: hij is niet alleen van alle markten thuis - grafiek, muziek, poëzie, performance - ook blijft hij op zijn lege zondagen cartoonist. Het über-ich spookt hier met de allures van een wrokkige Ku-Klux-Klanner. De maker legt er maar het bijltje bij neer. Naninga Lens laveert al enkele jaren tussen exquise tekenkunst, schilderkunst en onderzoek naar meer obscure figuren dan zijzelf: we ontvingen van haar hand een verblindend negatiefbeeld van het huidige beeldverhaal. Ook zine-artieste en illustratrice Martha Verschaffel, auteur van Lily (2015), zoekt het in de meer indirecte, suggestieve hoek. Wat als we voorzichtiger moesten zijn met onszelf, zorgzamer, als in verhouding tot de vacht van een (dode) bij? In een semi-abstract spel van vormen en texturen stipt Mélanie Corre aan dat ook de striproman voortkomt uit ons eindeloos gebeitel in steeds te grote stenen ... Sara Mertens houdt het liever meteen voor bekeken en begint graag met het einde, wanneer de auteur het opus op het schap legt. Is de Grote Vlaamse Striproman niet een stevig blok dat ergens domweg stof vangt? Voor Coralie Laudelout – l’eau de loup! - vormt de dierenfabel een leidmotief: ze mixt Reynaert en de Leeuw in een sprekend wespennest. Met haar kat op schoot blijft Shamisa Debroey bedachtzaam over strips en identiteit. Niet alleen herinnert ze er ons via subtiele knipogen naar de Vlaamse striproman aan dat de graphic novel aan een update toe is. Ook blijft deze kunstvorm voor haar een kwestie van dubbele bodems, beklijvende beelden en verborgen parels. Dat is het minste wat je van de Lets-Nederlandse Dace Sietina kunt zeggen, die de dans afsluit met grafisch geweld, geheel in het verlengde van het type art brut dat de alternatieve strip levendig houdt.
           De Grote Vlaamse Striproman dus? Misschien heeft u hem wel in handen of een staalkaart ervan, een wegwijzer ernaar. Vergeet alvast de blijvende lijstjes, de canons, de recepten. Of om het met Jan Baetens - ons aller peetvader! - te zeggen: ‘Vlaamse auteurs worden zeker geapprecieerd, maar van enige Vlaamse eigenheid of particulariteit is amper sprake.’ Exit regio, vivat mundus. Groot of klein, Vlaamsch, Bataafs of Frankisch, strip of roman ... het doet er niet toe. Wat belangrijker is: wat brengt het teweeg inzake vertellen met beelden? En nog fundamenteler: wat doet het met de plaats van het ‘tekenverhaal’ in het artistieke landschap? Woord en beeld, kunst of literatuur, van larve tot vlinder, heilige hoogte, drassig land. God mag het weten, gezegend zijt gij, zalig, weerbarstig, onbegrijpelijk en ongrijpbaar stripromanneken!