Winnaar proza van Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs 2021

mas

Tobias Santens

 

‘water.’

een afdak voor de ingang van een kantoorgebouw biedt tijdelijk een vluchtweg. ik stap de nis in, leun tegen de vuile tegels waar ’s avonds massaal tegen wordt gepist, en laat me op de grond zakken. schaduw, de hoogte van de verdiepingen drukt me neer.
‘ça va?’
‘ja. gewoon even iets drinken.’
‘je hebt schrik hé.’
ik knik, maar kijk weg om het niet in haar gezicht te moeten zeggen, sip wat van een verkreukeld flesje. wat doe ik hier in godsnaam.
ze blijven maar komen, de passanten, blinken in het felle licht dat over de straat gutst. een zwarte man met lange krullen en een gescheurde jeans wandelt voorbij. twee mensen roepen — ‘ja, ja, ja’ — in elkaars gezicht. een young lady met lila lippenstift fronst, laat zich leiden door een herdershond. een ouder koppel met trekschoenen en buideltassen. twee mannen kussen, intens. zwaaiende handen. fietsbellen.
iedereen lijkt zo vol, zo visibel — ‘wist jij dat hier zo veel volk zou zijn?’
ze krabt aan een vlek op haar broek — ‘i don’t know, er stonden maar driehonderd mensen als aanwezig. we kunnen ook altijd …’
‘nee, we zijn hier nu’ — ik krabbel overeind.
ze zoekt mijn ogen, knijpt in mijn schouders — ‘dit is ook jouw plaats’ — harder — ‘en je ziet er fantastisch uit, kom’ — legt ze haar hand om mijn arm, trekt me de zon en de menigte in.

als libellen zoeven we tussen de betogers, fietsen met aanhangwagens, vlaggen, een kruiwagen gekanteld over straat. er is een agent die onnodig de juiste richting aangeeft, een groep danst op salsamuziek, hun groene t-shirts opgeknoopt, iemand loopt de andere kant uit om armbanden te verkopen, de walm rond een jonge kerel met een gele rookfakkel, nog meer vlaggen, tot we uitkomen op de hoofdstraat, de mensen staan er dicht opeen en de grond trilt mee onder alle voeten die de felliniaanse stoet vervoegen, alleen zijn de kreten niet melancholisch, maar eruptief, gelukkig — ‘we are here! we are queer! we are here! we! are! queer!’ — een bacchanaal aan bonga’s, het gerinkel van een cimbaal ergens onzichtbaar. het is loud.
iedereen om mij heen lijkt te vloeien in welvende bewegingen, handgemaakt snoepgoed dat wordt uitgerekt, samengekneed, citroensmaak. daartussen lijk ik zo mager en moe, transparant. ik sla een hand om mijn buik.
ze voelt mijn ongemak, komt naast me dansen en leunt zijdelings tegen me aan. met haar ogen probeert ze het ritme over te brengen, los te weken wat vastzit, maar mijn schouderspieren zijn hard als droog wrakhout en willen niet mee. wat als ik gewoon minder doorbloeding heb dan de gemiddelde persoon hier — ‘je bent zeker ok?’ — ik lach wat stijfjes.
daarnet was het allemaal nog fijn: kleren uitkiezen — ‘nee, neem dit!’ — tot ik uiteindelijk de meest gewaagde outfit aanhad, een blazer met pofmouwen en een soort koninklijke franjes, grote manchetknopen waar een steigerend paard op staat, en make-up uitproberen, naast elkaar in de spiegel — ‘dit is too much, toch?’ — weer afhalen, opnieuw proberen, om te eindigen met een dun gouden lijntje boven mijn rechteroog — ‘perfect!’ — hier lijkt het alleen maar of mijn gezicht ervan reflecteert in het zoeklicht van een alziend oog.
‘zie die vlag daar’ — ik volg haar vinger. twee mensen hangen uit het raam van een wolkenkrabber en houden een spandoek tegen de gevel — ‘police = milice des cis’ — er is te veel beweging om te registreren, het gevoel dat kinderen tussen onze benen doorlopen, maar het zijn de spetters van de zon die via de spiegelruiten over de straat klateren, dreunend op het tempo van een trombone twee meter achter ons — ‘you know, i judge people mostly on their capacity to be vulnerable’ — een queen met een wonderlijke flair zegt het tegen de metaljongen naast haar — ‘i agree, but don’t ya…’ een hond blaft, en verderop klinkt een microfoon die de betogers probeert op te zwepen.
ze port in mijn middel — ‘daar even kijken?’ — en begint al opnieuw te lopen, zonder mij los te laten. ik bots tegen iemand met een bord — ‘asexuality. accept it’ — en stamel een verontschuldiging. een opgestoken hand vergeeft me snel. de groepjes dikken aan rond een campagnetruck die traag door de avenue rijdt, en we wringen ons festivalgewijs tot op de eerste rij.

‘on est ici tous ensemble. om te veroordelen. het geweld van het apparaat. dat ons verplicht te denken. in hokken van man en vrouw. dans les cages des idées. on s’oppose à l’homophobie. on s’oppose à la transphobie. on s’oppose à l’hétéronormativité suffocante. love is love! liefde is liefde!’ — hij staat op de gele pick-up en houdt een rode megafoon in de lucht. de felle kleuren shiften even snel voor mijn ogen als hij wisselt van taal, de helblauwe lucht en de opgestoken vuisten van de groep rond de wagen geven de zinderende woorden een caleidoscopische verwarring. zijn outfit lijkt op die van een jonge bouwvakker, maar dan proper. fluorescerende banden om zijn enkels, stevige benen, een wit shirt waar zijn borstkas doorheen straalt, lijken allemaal op een paar centimeter van mij te bewegen, de riem van zijn broek met een dikke sleutelbos alsof hij overal wel binnenraakt, ik hoor ze rinkelen, ik kan ze bijna …

‘uiteindelijk toch weer een man die het woord neemt en met de aandacht gaat lopen’ — ze kijkt wat misprijzend — ‘maar het is wel een cutie.’
‘wie is dat?’
‘zeg, mijn gsm is bijna plat. wat doen we als we elkaar kwijtraken?’
‘wie is dat?’ — vraag ik opnieuw.
de vleugels van eyeliner in haar ooghoeken gaan vragend omhoog — ‘geen idee. organisatie, waarschijnlijk’ — ze kijkt weer naar de pick-up, dan naar mij, heen en weer — ‘nee. nee, dat meen je niet. echt? vind je die echt knap? typisch.’
de megafoon klikt uit en de muziek wordt aangezet, een glazen beat met een sirene doorheen. het lied komt uit een film die ik net nog heb gezien, maar ik ken de naam niet meer — ‘entre tu cuerpo y el mío’ — een jonge vrouw met rood haar gilt en steekt een beker met drank omhoog.
‘kom, ik geef een voetje’ — ze houdt haar handen als een kom naast de laadbak van de pick-up.
‘wat?’ — ik weet niet goed wat ze bedoelt, wil het alleszins niet meteen geloven.
‘ga je hier blijven staan en loeren naar die gast, dan?’
aarzelend til ik mezelf over de rand, zij neemt een aanloop en klimt ook in de truck, waarop stilaan een dansend groepje verzamelt — ‘si mi pecho es real, mi sombra es real. y si mi hambre es real, mi lucha es real.’

een meisje met blond-zwart haar dat uit een strip lijkt te komen, leunt naar me toe terwijl ik mijn evenwicht op de wagen probeer te bewaren. in haar ene hand houdt ze een frisco, in de andere een joint. de keuze is snel gemaakt. van alle kanten klimmen mensen op de pick-up, ik sta in een hoekje aan de voorkant, blaas de rook omhoog, nog twee keer trekken, en geef hem dan door aan een gast met een gek blauw regenkapje. hij gaat over de rand van de wagen hangen met de toep in zijn mond en rekt zijn armen uit richting straat. iemand zet de muziek harder en een paar mensen roepen — ‘… la violencia, no me digas que eso es perder’ — de blonde girl keert haar rug naar de kerel met het kapje en glijdt vals flirterig tussen zijn benen door terwijl ze een sigaret rookt. de jonge vrouw met rood haar drinkt wijn terwijl ze leunt op de cabine van de chauffeur. tussenin bevindt zich de murmelende mierenhoop, veelkleurig, vanzelfsprekend.
ik ga op mijn tenen staan. van deze afstand zie je pas hoe uniform de hoop verenigde zielen is die besloten heeft om een zaterdag op te offeren aan een betoging. voorop wat praalwagens met drag, fanfarelawaai tussenin omringd door gezinnen, koppels in verschillende maten, vriendenkliekjes. aan de flanken staan nadars die de zijstraten afschermen. wanneer we zo’n inham passeren, zie ik een combi dwars over de straat staan. een agent belt en leunt tegen de capo. een ander universum, lijkt het, met een andere tijdsindeling, een andere hiërarchie. de intro van een lied van depeche mode bonkt uit de box bovenop het dak van onze chauffeur — ‘words like violence, break the silence’ — en bewegingen krijgen een dromerige traagte, een wazige gele rookpluim die uitspreidt over een lange tijd, gevuld met zo veel beelden van blote buiken, gekleurde kuiten, en de vage klank van een sirene die als een valse viool door de smeerpasta van gescandeerde slogans glijdt — ‘all i ever wanted, all i ever needed, is here in my arms’ — iedereen zingt mee.
mijn handen tintelen en ik kan mijn hart horen hijgen in mijn slagaders. ik leun wat opzij tot mijn hoofd helt in de hals van iemand achter me, en voel hoe de groep deint op de muziek. we staan zo dicht dat we wel met één lichaam moeten dansen. de handen van de jongen naast mij zijn mijn handen, de zangstonden hadden ook uit mijn mond kunnen rollen, en er is zo weinig plaats dat er ruimte ontstaat om te zwijgen, om te zwelgen.
door mijn halfgesloten ogen zie ik de gast opduiken die net zijn speech heeft gehouden. hij heeft wel voor het raketijsje gekozen, het rode puntje verdwijnt helemaal in zijn mond, en een gekleurd spoor druipt op zijn wit t-shirt. hij houdt zijn ogen dicht terwijl hij meeknikt op de beat.
zij staat ondertussen rustig te praten met de blond-zwarte vrouw. elk om beurt draaien ze hun kaaklijn naar elkaar toe om verstaanbaar te zijn. veel handbewegingen, ze lijken het eens.
dan zie ik hoe de kerel me recht aankijkt en zijn lichaam naar me toe wringt door de dansende groep. het lijkt nog voller, zo dichtbij, als de hoofdacteur uit badlands. bloed slaat hard in mijn slapen.
hij brengt zijn hoofd naast mijn oor — ‘assez chique, ton costume’ — en wrijft met zijn duim over een manchetknoop — ‘vraiment, royalement unique’ — en scant me dan schaamteloos van kop tot teen.
ik knik wat zenuwachtig — ‘cool, ton speech’ — weet niet goed wat zeggen.
hij steekt het laatste restje van de frisco in zijn mond en haalt traag het kale stokje langs zijn tanden — ‘il fait chaud, non?’ — zijn ogen zijn bruiswater, zijn handen klateren in de lucht, zijn lippen bewegen met de tekst van het laatste refrein, zonder werkelijk iets te zeggen — ‘words are very unnecessary. they can only do harm’ — en kussen me dan met een volle tong.

we gaan kopje onder. de muziek zwelt aan en de kleuren shiften met de streling van zijn hand langs mijn ruggengraat, schouderbladen, nekwervels, kaakbenen. hij draagt mij, omringt mij met armen waar normaal eenzaamheid woont, de vochtholtes van mijn hoofd, de hersenkamers waar het dagelijks koppenlopen is over struikelpaden van onzekerheden, twijfels als strijkparels neergezet in patronen, van mezelf ontleden met een roestig pincet. zwevend nu, het gekronkel van zeewier, voel ik hoe doorheen het gele waas stilaan een rode gloed glijdt, als wanneer inkt in een aquarium verspreidt of de lucht ’s avonds bloed heeft gedronken, de bassen gonzen onder water en de dansende lijven krijgen iets van een hartslag die stuwt tot mijn hand langs zijn zij, tot mijn lies langs de zijne, tot we welven als het licht van een vuurtoren die draait en draait en draait.
dit voelt veilig. dit voelt warm als de binnenkant van een slangenkeel waarin ik wil blijven duiken tot we met één romp voortbewegen.
hier houden we op individuen te zijn.
hier worden wij twee, de massa.

onze lippen laten los op het moment dat fuck the pain away van peaches begint te spelen — ‘sucking on my titties like you wanted me, calling me’ — en ik kom happend boven water, het besef dat er nog een wereld is aan de andere kant van het oppervlak. we moeten luid lachen. hij wrijft door mijn haar en legt zijn arm om mijn middel.
zij vangt mijn blik, steekt een duim omhoog en krult goedkeurend een onderlip.
ik speel haar lachend een ‘fuck off’ toe.
rond de pick-up is intussen een groep verzameld die van de muziek komt genieten. een tiental mannen in pak loopt met leren koffers te zwaaien, scanderen — ‘do i look rich in this tie? do i look strong in this suit?’ — aan de andere kant danst een groep met veren wild met hun kont, een vrouw ernaast klapt enthousiast in haar handen — uy sí, dame más. dame, dame, dame más! — en dan roept de lady met de wijn plots —'fuck the police!’ — en de gloed wordt donkerroder wanneer ze op het dak van de chauffeur klimt — ‘éh, descends!’ — klinkt gedempt vanachter het stuur, maar ze stampt net harder met haar boots op het dak — ‘fuck the police!’ — en wanneer ze haar glas naar de hemel heft, herhaalt iedereen in de truck — ‘we will fuck the police!’
de stemming druipt als kringen in een vijver over in de monden van de menigte rond de wagen, en de slogan echoot plots over de hele straat terwijl peaches blijft schreeuwen — ‘fuck the pain away! fuck the pain away! fuck the pain away! fuck the pain away!’ — het is de eerste keer dat ik visceraal voel welke vunzigheid deze verenigde massa probeert af te schudden. door mijn hoofd flitst de fluittoon van iemand die op mijn kont slaat en fagot fluistert in mijn oor, de tong in een kaak van een jongen in de middelbare school, suggestief, terwijl iedereen lachte, zie hem lopen met dat sjaaltje, en de schaamte om wat ik wil dragen, maar niet durf. mijn maag trekt samen, en tegelijk gaat mijn vuist de lucht in — ‘let’s fuck the police!’ — tegen alles wat uniform uitstraalt. niet de fucking police, niet de fucking politiek, niet de fucking aristocratie in hun torens, i don’t fucking care als ze mij maar zouden laten doen — ‘fuck!’

dan stapt een man met een nirvanashirt op een nadarhek af, en spuwt in het gezicht van een agent. ik kijk ernaar. ik weet dat het niet klopt. ik besef dat het ook mijn speeksel is. meteen slaat de sfeer om. het dranghek wordt opzijgeschoven en drie agenten leggen de kerel neer. ze dragen geen blauwe uniformen meer, maar zwarte. en een helm — ‘shit’ — er wordt gegild, en met het lichaam van een rog valt de groep rond het incident over de scène heen. de truck komt tot stilstand en ik word opgeslokt door de druk van de menigte die als bij een flessenhals naar de worsteling wordt gesleurd. ik zie hoe een agent aan zijn schoen wordt weggetrokken, hoe een wapenstok uit een riem wordt ontkoppeld, hoe die neervalt op het been van een betoger — ‘nee, fuck!’ — het meisje met blond-zwart haar springt vooruit en rent naar de broeihaard, de beat van peaches blijft beuken terwijl er maar geen orde in de geiser van chaos komt en de sirenes zwellen als strijkers boven het getier. de agenten hebben een oliebron van frustratie aangeboord die over de hele straat uitlekt en de donkerrode kleur doet stollen tot bitter pek. wat daarnet nog borrelde in de holtes, vindt een kanaal om de magmakamer te verlaten. ik kan het niet aanzien — ‘stop!’ — we kunnen hier toch niet gewoon staan kijken. een elleboog raakt mijn ribben en ik zie niets meer — ‘no right to kill a minority!’ — schreeuwt een kortgeschoren vrouw naast me, haar ogen spreken vuur. hoe kan dit? dit moet goed zijn. dit moet veilig zijn. nee, niet hier. niet hier. schilden vormen een huls rond de nirvanakerel, die nog steeds op de grond ligt — ‘avancer, tout le monde. avancer’ — de sirenes zijn zo luid dat mijn trommelvliezen gonzen, een meisje met een groene rugzak wordt omvergeworpen door de muur van agenten — ‘police partout! justice nulle part!’ — een mechanische stem vraagt om rustig verder te lopen en dit gedeelte van de straat vrij te maken alstublieft — ‘wie zijn jullie?’ — ik heb tranen in mijn ogen — ‘wie zijn jullie!’ — het gevecht centreert zich nog altijd rond de gast op de grond, een vis verstrikt in zo veel draden, zo veel verhaallijnen. een vrouw probeert duidelijk te maken dat dit niet kan, dat dit niet mag. haar betoog krijgt weinig voeten aan de grond, al articuleert ze heel duidelijk terwijl ze wijst naar de borst van een agent — ‘mi libertad guarda la tuya. mi libertad guarda la tuya’ — ik zie uit mijn ooghoek hoe de politie zijn pepperspray losklikt, en de massa komt weer in beweging. de zijkant van een plexischild tegen mijn bovenbeen en ik val voorover, vlakbij de kerel op de grond — ‘laat hem los! laat hem los!’ — zijn haar hangt sluik over zijn gezicht en nog altijd houden twee agenten hem tegen het tarmac gedrukt — ‘lachez, conards!’ — vier handen trekken aan de schouders van een agent, maar hij verroert amper, en slaat enkel met een stok om zich heen. zijn ogen blauw, wijd. ik voel hoe ik word omgedraaid, mijn kaak raakt de grond. een fluittoon. hoe de pek koekt tot brokken waarmee de straat is opgebouwd, scherp genoeg om mijn huid open te halen. het wordt heel stil. hoe de kerel met de sleutels naar mij schreeuwt, vlakbij. ik hoor geen woorden, maar er loopt bloed uit zijn lip waar het net nog zo zoet was. hoe een vrouwelijke agent zijn armen samenbindt en hem achterwaarts sleurt — ‘nee! nee!’ — ik probeer mijn romp te bewegen maar er ligt een gewicht op mijn rug, mijn armen worden achterover getrokken en even denk ik dat ik mijn bewustzijn verlies van de pijn. er is het geklak van paardenhoeven, gerinkel van hekkens die verschuiven, gesis van spuitbussen. ik word overeind getakeld en zie in strepen hoe ik voorbij de linie tot in de schaduw word getild. blauw licht, de deur van een combi schuift open en ik zak ineen op de bank terwijl een man in uniform me vragend aankijkt. één ding nog.

‘water.’