Literaire kritieken

Vanaf het voorjaar van 2017 positioneert DW B zich nog steviger middenin het literaire debat. We blijven inzetten op gedegen teksten waarin critici de tijd nemen en de ruimte krijgen om zich op geheel eigen wijze te verhouden tot belangrijke literaire werken. Er is maar één verschil met het verleden: we drukken de kritieken niet meer af op papier maar plaatsen ze direct online op www.dwb.be. Zo zingt DW B ook digitaal mee in het polyfone koor dat de literaire kritiek is - met haar eigen, voldragen stem.

 

Voor de literaire kritieken die voor 2017 in de DW zijn verschenen kunt u terecht op de archiefwebsite.

Volg daarvoor deze link: dwbarchief.be

 

 


 

 

‘o’. Over 'Ofwa' van Geert Buelens

Auteur: Geertjan de Vugt - november 2020

Geert Buelens, Ofwa. Querido, Amsterdam, 2020.

Download deze tekst in pdf hier.

 

1.
Eens in de zoveel tijd word ik geplaagd door een onaangenaam, al te menselijk gevoel. Meestal knaagt het, als een wurm in de houten balken boven mijn hoofd, aan mijn gemoed, dagen, weken zelfs, zonder dat ik het op lijk te merken. In ieder geval niet bewust. Als het moment dan eenmaal daar is, is het meestal al te laat. Ik zou dan niets liever doen dan achter alles een punt zetten. Er is waarschijnlijk geen mens die niet bekend is met dit gevoel. Wie heeft er niet eens een punt achter een uitgedoofde relatie willen zetten, een vriendschap willen beëindigen, willen stoppen met afstompend werk, of, ik noem maar wat, willen vluchten voor een schrijfopdracht? Soms vlechten de zorgen zonder dat men het merkt ineen tot een onontwarbaar kluwen wol, en aan welk draadje je ook trekt, het geheel komt niet los, sterker nog, het lijkt alsmaar verder in de knoop te raken.
           Dan rest niets dan de wens in z’n meest extreme en daardoor misschien wel meest heldere vorm, namelijk een punt te willen zetten achter niets minder dan het leven zelf. ‘What’s the point of it all?’ verzucht hij die geen uitweg weet en plots de omringende horizon wel heel erg snel op zich af ziet komen.
           Ik ben ervan overtuigd dat dit gevoel zo algemeen menselijk is dat er niemand is die niet ooit eens door deze kwelgeest wordt geplaagd, ofschoon er volgens mij maar weinig talen zijn die deze uitdrukking kennen: ergens een punt achter zetten. Het Duits is, haast vanzelfsprekend, het meest na aan het Nederlands en, wat eveneens te verwachten valt, het meest precies bij vertaling. In die taal spreekt men over einen Schlusspunkt unter oder hinter etwas setzen, waarbij de Schlusspunkt, net als in het Nederlands, vervangen kan worden door een streep met een lange s-klank, alsof daarmee alles en iedereen tot stilte gemaand wordt: einen Schlussstrich unter etwas ziehen. In het Frans spreekt men liever over arrêter of mettre fin. De Engelsen, daarentegen, zijn meesters van de verhulling, of, zoals ze het zelf liever noemen, beleefdheid. In het Engels worden de dingen namelijk afgerond door ze in te pakken: to wrap/wind something up, ook wel meer prozaïsch geformuleerd: to put an end to it. Zou al die linguïstische verscheidenheid wellicht op een fundamenteel andere ervaring duiden? Natuurlijk, alle genoemde uitdrukkingswijzen gaan over een verlangen naar beëindiging, dat is het punt niet. Maar het maakt nogal wat uit of je ervoor kiest om iets in te pakken, op te rollen, er een streep onder te trekken of er een punt achter te zetten. Wat wil dat eigenlijk zeggen, ergens een punt achter zetten?

2.
Ergens bijna halverwege Ofwa, de nieuwe bundel van Geert Buelens, kom ik tot het besef. Het is het ogenblik waarop me te binnen schiet wat me bij eerste lezing al was opgevallen, zonder dat het werkelijk tot me was doorgedrongen. Misschien had ik zitten suffen of had ik mijn ogen juist te snel over de tekst laten glijden. Nu bleven die echter haken bij de volgende regels: ‘wordt het eens geen tijd / er een punt achter te zetten’. Een vraag zonder vraagteken, inderdaad, en daarmee, zo mogen we concluderen, een retorische vraag. Maar die afwezigheid van het vraagteken is op zichzelf nog niet eens zo opmerkelijk. In deze bundel behoorlijk geserreerde verzen is überhaupt geen sprake van interpunctie. De regels zijn dusdanig opgeknipt en tot een minimum teruggebracht dat ze daar misschien geen behoefte aan hebben. Wat ik zou ontdekken had me dus al eerder op kunnen vallen. Hoe het ook zij, het moment waarop ik die regels voor de tweede keer las, besloot ik de hele bundel nog eens door te bladeren, zonder daadwerkelijk de verzen te lezen, en kwam ik tot de conclusie: er is hier sprake van een grote afwezige – de punt.
           Een bundel zonder pointe? Dat niet. Sterker nog, ik besluit bovengenoemde regels als uitgangspunt voor mijn lezing te nemen. Het lijkt erop dat de dichter in twee regels zijn programma uiteenzet: het verlangen ergens een punt achter te zetten. Bezien in het geheel van de bundel valt dan onmiddellijk op dat het een ijdel verlangen is, zoals het dat in het leven misschien altijd wel is. Je kunt wel een punt achter je relatie zetten, maar is die daarmee voorgoed uit je leven verdwenen? Of neem die tekst waar je eindelijk een eind aan wil breien; zodra je de laatste punt hebt gezet is hij af, maar dat is slechts schijn. Pas dan begint het en blijft de tekst zichzelf herschrijven. Misschien wel evenzeer als de wens een punt te zetten tot de meest wezenlijke menselijke verlangens behoort, behoort de onmogelijkheid daarvan tot de meest menselijke desillusies. Buelens houdt ons deze paradox voor in het gedicht waaruit ik bovenstaande regels heb gelicht. Het gaat in twee strofen verder (met wellicht een knipoog naar het einde van Ivo Michiels’ Exit):

dat altijd maar opnieuw beginnen
altijd maar weer optrekken
en nieuwe paden banen
dat kan toch niet de bedoeling zijn

o
het is de bedoeling
maar waarom hoor ik dat nu pas

Die paradox wordt zelfs samengevat in één enkel teken, dat zowel als een ‘o’, een ‘0’ en ook als een ‘.’ gelezen kan worden. Beter kan het ‘o ja’-moment niet samengevat worden. En in z’n perfecte ronding is het een enigmatisch figuur, die cirkel, waarbij klank, bewondering en verwondering volledig samenvallen: ‘o’. Eenvoudige wiskunde leert ons dat de cirkel begin noch einde kent. Het is, in feite, een altijd opnieuw beginnen en een altijd opnieuw fnuiken van de wens een Schlusspunkt te zetten. Tegelijkertijd is het een eenvoudige wiskundige regel die ons leert dat een cirkel eigenlijk niets anders is dan een verzameling punten die allen even ver van het middelpunt liggen.
           Zonder er al te veel omheen te draaien, dit voert ons naar een nieuw probleem. Nog steeds is er een punt en wel één dat volledig onzichtbaar is. Wie er goed over nadenkt wordt langzaam een donker gat ingezogen. De punt waaraan alle andere punten gerelateerd worden, de kern, is zelf onzichtbaar. Hij ligt, zo je wil, op die plek waar een lijn met de straal geraakt wordt door een exact vergelijkbare lijn die er precies tegenover ligt. In de voeg, van waaruit die twee stralen elkaar komen te raken, zou, als een wonder, de punt moeten liggen, zij het dat er geen enkele ruimte is. Als de punt al iets is, dan is hij een verdwijnpunt waartoe alles zich verhoudt. Ligt daar soms het geheim van de paradox?

3.
De onmogelijkheid ergens een punt achter te zetten, ligt die misschien niet al in de aard van de punt zelf besloten? Weten we wel genoeg over het mysterieuze karakter van de punt om die vraag te beantwoorden? Wat is een punt eigenlijk?
           Om ook maar tot een begin van een antwoord op deze vraag en wellicht ook alle andere vragen te komen, kan men een blik werpen in AristotelesMetafysica. Door de punt – een stigmè of stigma, later in het Latijn vertaald als punctum – wordt de Stagiriet haast tot de randen van zijn eigen metafysica gedreven. Hij stelt dat een punt ondeelbaar is; de klassiek geworden idee die ook tot de axioma’s van de Euclidische meetkunde zou gaan behoren. Ondeelbaar, maar wel met een positie in de ruimte – dat is hoe Aristoteles de punt beschrijft. Maar een punt heeft niet een lichaam en, zo voegt hij ook nog toe, kan niet ontstaan of vergaan, ‘hoewel ze het ene moment wel is en het andere moment niet’. Was dat wel het geval, dan zou dat betekenen dat een punt deelbaar zou zijn en dus geen punt is. Iets ontstaat namelijk uit iets, niets komt uit niets. Naast de ruimtelijke existentie, komt hij ook met een temporeel voorbeeld. Wat voor een punt in de ruimte geldt, geldt in de tijd voor het ‘nu’; eveneens ondeelbaar, en kan dus ook niet ontstaan of vergaan. Het was als ving hij een kleine glimp van de eeuwigheid op.
           
Het is opmerkelijk: de punt heeft geen lichaam, is ondeelbaar, ontstaat niet en vergaat niet, en is toch. De punt voert ons naar een grens, namelijk naar daar waar er niets meer is, zonder niets te zijn, maar ook niet meer dan een punt. Het is, om met de Duitse cultuurwetenschapper Wolfgang Schäffner te spreken, een lege plaats. Sterker nog, wie gevoelig is voor taal, kan zich mee laten voeren op de golven der semantiek. Stigmè of punctum betekent eigenlijk een prik, een gat in het zijn (en, zoals Roland Barthes eens heeft beweerd: toeval; het is toeval dat een foto, een punt, mij treft, schrijft hij). Is dat dan wat ‘ergens een punt achter zetten’ betekent: een vluchtweg creëren door, als een soort Lucio Fontana, een gat in het zijn te prikken?
           Een punt kent geen lichaam, maar vraag iemand zich een punt voor te stellen en negen op de tien keer zal men aan een stip denken. Zelfs de wiskundige traktaten die in de eeuwen na Aristoteles en Euclides verschenen, ontkwamen er niet aan het lichaamloze als een lichaam voor te stellen. De punt werd van een zuiver mathematisch-metafysisch idee plots een fysieke punt. Retorici wisten dit trouwens al langer. De punt zou een behoorlijk eigenzinnige rol spelen in een veelheid aan traktaten over de spraakkunst. Iemand als de Romeinse grammaticus Aelius Donatus zou in zijn Ars grammatica uit de vierde eeuw drie verschillende punten onderscheiden, waarmee een pauze in de tekst kon worden ingelast. Een punt bovenaan de regel voor een lange pauze, een zwevend in het midden voor een middellange pauze en een, voor ons gewone punt, onderaan de regel voor een korte pauze. Vergis je niet, het maakt dus nogal uit waar je je punt zet.

4.
Geen punt betekent, als we de lijn van de antieke filosofen en retorici blijven volgen, geen pauze. Geert Buelens positioneert zijn bundel dus in een groter continuüm. Zijn bundel mag qua vorm misschien een punctum in zijn eigen oeuvre wezen (‘met lyriek heeft dit niks meer te maken / wie wil daar nog iets mee te maken hebben’ schrijft hij ironisch in een gedicht op de achterflap), de processen die op inhoudelijk niveau aanwezig zijn in de bundel blijven onophoudelijk doordraaien. Ik snap wel dat hij de wens uit er een punt achter te zetten, want ook in deze bundel hebben een aantal actuele crises zich tot een onontwarbaar kluwen gewikkeld. Klimaat- en feitenontkenners, consumenten, influencers, de representanten van de aandachtseconomie, ja ‘Wie in de plassen stond / te dansen / gaf er een draai aan / die kon tellen / tot ook die / doordraaide’. Neem de achteloosheid waarmee men ‘wintersokken gaat breien / ofwa’ als een daad waarmee het klimaat ontkend wordt, of juist het machteloze gebaar dat daartegenover staat: ‘de spin / bij haar poten pakken / en in de tuin zetten / ofwa’.
           Het Vlaamse stopwoord ‘ofwa’, dat verontwaardiging uitdrukt, wordt op enkele plekken in de bundel herhaald als een soort mantra. Soms is het resultaat een bijna bezwerende ritmiek, zoals ergens halverwege de bundel, waar het woordje op een enkele pagina, om de één, vier, twee en drie keer drie regels wordt herhaald. Op andere momenten vinden we ze juist wat meer verstrooid doorheen de bundel. Het woordje komt zo gemakkelijk over de lippen dat je het verzuchtende of het verontwaardigde karakter ervan bijna zou vergeten. Maar sta eens stil bij wat dit woord is. Een stopwoord. Het is als poogt de taal zich in vier letters samen te ballen tot een vuist die een punch uitdeelt. ‘Ofwa’ is een poging om met letters een punt te zetten, en dat, zo heb ik geteld, elf keer (al kan ik er een gemist hebben). Tillen we dit op naar een niveau hoger, dan is het zelfs denkbaar dat de titel zelf een vuistharde poging is om een punt achter alles te zetten. Alleen lukt dit niet, want na de ‘ofwa’ volgen ook hier de voortrollende regels.
           In die regels komen talloze figuren voorbij, soms expliciet, soms impliciet. Er zijn yogi, kantoorklerken en dealers, lezers, influencers, koeriers en gedeprimeerden, zij die altijd maar behoefte hebben aan meer en dan vooral meer entertainment en daartegenover humorlozen. Wat ze delen: geen van hen is bij machte een punt achter alle waanzin te zetten. Ook de dichter niet. Die verzucht ‘maar de boel even stilleggen / en ze de maat nemen // gewoon / in alle rust / ah’. Voor wie eerder werk van Buelens kent, en dan met name zijn vorige bundel Thuis, komt dit bekend voor. Het is een haast poëticale uitspraak. Dit is het punt van de lyriek die geen lyriek wil zijn en het ondanks alles toch is. Misschien niet in de klassieke zin, als de aller-individueelste expressie van de aller-individueelste emotie, zoals de aan Willem Kloos ontleende en tot gemeenplaats verheven uitspraak luidt. Maar wel in de zin die Paul van Ostaijen er in zijn Gebruiksaanwijzing der lyriek aan gaf, namelijk als een wisselwerking, strijd zelfs, van ‘de wil naar uitdrukking en de hopeloosheid van het uitdrukken’. Zo stuit ook de dichter op zijn eigen grenzen, zoals de afwezigheid van de punt duidelijk maakt. Een moment om alles even te pauzeren is er niet. Ook hij weet: ‘Een nieuw begin / zit er niet in / respijt / misschien’.
           Zonder punt wordt alles betekenisloos: ‘naar een afhechting / kun je fluiten’, heet het halverwege de bundel. Zie hier wat de punt ook is: een machtig gebaar, waarmee alles wat stroomt en open is, wordt afgesloten en stolt. Het plaatsen van een punt achter iets, is het moment waarop al het voorgaande definitief betekenis krijgt. Twee pagina’s eerder las ik dan ook:

er komt niet een subliem moment
waarin alles richting zin en betekenis krijgt

zat je daarop te wachten
vergeet het

De afwezigheid van de interpunctie – die verkeerstekens op de straten van de taal, zoals Adorno ze eens in Satzzeichen heeft genoemd – is ook hier goed merkbaar. Je zult als lezer in deze bundel geen beelden treffen die je van de weeromstuit van je stoel doen vallen. De taal is kaal, zoals hierboven, hard, zou ik bijna willen toevoegen. Het is zoals het is, zou je kunnen denken, precies zoals het is: bar en boos. 

5.
Vraag iemand zich een punt voor te stellen en je krijgt een stip. Een enkeling zal daarnaast aan een taart denken, of aan berg, of, voor de scherpe geesten onder ons, aan een naald. Dat laatste is ook wat Robert Hooke, de zeventiende-eeuwse Britse polymath, deed toen hij in 1665 een geweldig geschrift uitbracht onder de titel Micrographia; or Some Physiological Descriptions of Minute Bodies Made by Magnifying Glasses with Observations and Inquiries thereupon. Zijn uitgangspunt is hetzelfde als dat van de mathematici: van het eenvoudige, ondeelbare naar het steeds verder samengestelde gaan. Dus van een fysieke punt naar samengestelde lichamen – enkel en alleen door middel van observatie. En niets vormt een betere representant van een fysiek punt dan die van een vlijmscherpe naald, inderdaad precies dat instrument dat perfect is voor het prikken van een gaatje in het weefsel van het zijn. Met het blote oog is het onmogelijk er verschillende delen in te zien, maar onder zijn microscoop gelegd ziet de punt er allesbehalve als een punt uit. Eerder lijkt het een soort kegel, ‘breed, bot en bijzonder onregelmatig’, alsof er pukkels op zitten.
           Wat zou er gebeuren, dacht Hooke in het moment waarop de schrijver in hem sprak, als we die naald in de inkt dopen en er een punt mee op het papier zetten? Het resultaat: een monsterlijke dot die zo onregelmatig is dat ze niet eens meer aan een punt doet denken. Drie dingen zijn van invloed op het resultaat: de oppervlakte van het papier (ruw), het instrument (ook al niet gelijkmatig) en de inkt (vloeibaar en onvoorspelbaar). Niet alleen ziet de punt er niet uit als een punt, de kleur is ook nog eens zo lelijk dat het geheel doet denken ‘aan plas Londens gootwater’. Vier eeuwen later kunnen we het trucje herhalen met de mooiste en fijnzinnigste vulpen denkbaar, en het resultaat zal hetzelfde zijn.
           Wat leert ons dit over het zetten van een punt? Het antwoord is even simpel als verontrustend: dat je wel een punt kunt willen zetten, maar dat die punt uiteindelijk en nauwkeurig betracht precies geen punt is, en ondanks zijn minusculiteit precies lijkt op datgene wat je achter je zou willen laten: een kluwen misère.

6.
Wat zeg je eigenlijk wanneer je zegt dat je er een punt achter wil zetten? Alles wat hier te berde is gebracht over mathematische en fysieke punten mag weliswaar in meer of mindere mate validiteit bezitten, leert het ons ook iets over het existentiële moment waarop de wens geuit wordt? Je kunt nog zoveel punten zetten als je wil, en je kunt dat doen met pen, potlood of naald, maar brengt je dat wel verder in het leven? Wie zegt dat hij er een punt achter wil zetten uit, zo ben ik geneigd te denken, een existentiële wens en doet dat door al dan niet bewust vanuit een literaire gedachte. Het is de houding van een auteur die, zoals een alomtegenwoordige gemeenplaats wil, een punt gaat zetten achter het verhaal (het eigen levensverhaal?). Het is een gebaar dat we, in het klein, tientallen keren op een dag maken. Met de pen schrijvend in het dagboek of tikkend op een laptop ergens in een of ander koffietentje (in andere media, bijvoorbeeld op WhatsApp lijkt de punt juist aan een stille, maar treurige aftocht bezig). Maar in een moment van wanhoop, en dat is wat de huidige wereld alsmaar meer lijkt op te roepen, ook bij hen die tot voor kort niet tot wanhopen geneigd waren, wordt het anders. De punt die men dan graag zou willen zetten is noch mathematisch, noch fysiek, of hij is dat ook, maar bovenal existentieel. En daarmee dient zich opnieuw een probleem aan, want hoe zet je achter iets niet-schriftelijks een punt? Je kunt moeilijk de kroon van je pen in de lucht dopen in de hoop dat er onzichtbare inkt aan blijft kleven. Je kunt hem weliswaar in je eigen bloed dopen, maar wat schiet je daarmee op? En stel, je doet het onvoorstelbare, en het lukt je om die punt te zetten, wat is dan de betekenis van alles? Hoe je het ook wendt of keert, ergens een punt achter zetten lijkt onmogelijk. O.
           Nu besef ik in ieder geval waar mijn twijfel vandaan komt die ik altijd voel bij het zetten van de laatste punt. Ik weet dat het op dit moment weliswaar de laatste is, maar dat er nooit een laatste zal zijn. Het is, net als het beginnen van een nieuwe tekst, een existentiële angst.

7.
Sinds de oude Grieken het onmogelijke probeerden te denken als iets zonder lichaam, zonder ontstaan of vergaan, als een gat in het zijn, is de punt alleen maar verder uitgedijd en daarmee verder van haar oorsprong afgeraakt. Het onvoorstelbare werd onder het oog van de microscoop grauw en monsterlijk en misschien nog wel onvoorstelbaarder. Dat het daar niet zou eindigen, hoeft niet te verbazen. Ook de geschiedenis laat zich slecht temmen en duldt al helemaal geen punt achter zich. In de twintigste eeuw gebeurde dat wat enkele duizenden jaren niet eens gedacht kon worden. Het was aan een van die late nazaten van Aristoteles, een natuurkundige. Misschien hebben natuurkundigen het talent dat menig dichter zou willen hebben. Als geen ander kunnen zij zich wat (voorheen) niet voorstelbaar was voorstellen, waarna er eigenlijk nog geen mens is die het begrijpt.
           In december 1959 hield Richard Feynman een lezing voor de American Physical Society over de mogelijkheden die miniaturization biedt, denk aan een elektrische motor zo groot als een vingernagel, of een instrument om de Bijbel mee op een speldenknop te schrijven, maar denk vooral nog kleiner en groter tegelijkertijd. Waarom, zo vraagt hij zich af, zouden wij niet alle 24 delen van de Encyclopaedia Britannica op een speldenknop kunnen schrijven? Zijn antwoord, in het proza zoals alleen natuurkundigen dat kunnen schrijven:

Een speldenkop is 1/16 inch breed. Wanneer je diens oppervlakte 25.000 keer vergroot is de speldenkop gelijk aan de oppervlakte van alle pagina’s in de Encyclopaedia Britannica. Wat daarom nodig is, is de grootte van alles wat geschreven staat in de Encyclopaedia 25.000 keer te verkleinen. Is dat mogelijk? De hoekresolutie [het vermogen om twee punten die kort naast elkaar liggen te kunnen onderscheiden] van het oog is ongeveer 1/120 inch – ruwweg de diameter van een van de kleine puntjes van de mooie halftone reproducties in de Encyclopaedia. Dit is, wanneer je het 25.000 keer verkleint, nog steeds 80 ångström in diameter, in gewoon metaal. Met andere woorden, een van deze punten zou in zijn oppervlakte nog steeds 1000 atomen bevatten. Dus, iedere punt kan met gemak wat grootte betreft worden aangepast, zoals dat wordt vereist voor fotogravure, en het staat buiten kijf dat er voldoende ruimte is op een speldenkop om alle delen van de Encyclopaedia Britannica kwijt te kunnen.

O.

Met dit gegoochel lijken we langzamerhand het moment te naderen waarop de punt de hele wereld zal omvatten. Of omgekeerd, het moment waarop de hele wereld zoals we die kennen verdwijnt in het ondeelbare nu van een punt. Tot die tijd is er nog de lyriek, die tegenover het zetten van de punt weliswaar machteloos staat, maar desondanks haar best doet de wereld de maat te nemen.

 

 

BIBLIOGRAFIE

Geert Buelens, Ofwa. Querido, Amsterdam, 2020.

Comments